De Koolmijn

 

Hoe het allemaal begon

 

Op vrijdag 2 augustus 1901, werd door de Leuvens hoogleraar Prof. Andre Dumont,

te As op 536 m diepte, voor het eerst de kop van het Limburgs onderaards kolen-gebergte aangeboord en op 541 m, de eerste kolenlaag bereikt. Deze baanbrekende ontdekking gaf onmiddellijk aanleiding tot een grootscheepse boorcampagne, met als gevolg dat gans het gebied tussen de Maas en Antwerpse Kempen geëxploreerd werd. De eerste verkenningsboringen in de streek Koersel-Beringen hadden in 1902 plaats. Te Kommelo boorde men tot een diepte van 1022 m. Op 560 m werd een eerste kolenlaag van 20 cm aangetroffen. Vervolgens kwamen er verschillende andere boringen, o.m. in december 1902 werd er geboord te Vurten (48) ter hoogte van de Meigoorstraat en in december 1907 werd er geboord te Langeneiken (72). Deze boring gebeurde door de firma Raky onder leiding van chef-boorder Nicolaas Weber en de opzichters Alfons Deferme en Jozef Wouters. Helaas moest men wegens diverse tegenslagen deze boring op 4 juni 1908 beëindigen. Toch gaf men nog niet op te Langeneiken want op 4 juli 1908 werd er opnieuw een boring gedaan. Ditmaal wel met succes. De boormeesters boorden ditmaal tot op een diepte van 1185 m. Ze troffen steenkoollagen van 0,75 m tot 2,85 m dikte aan op een diepte van 592 m.

Plaatsbepaling v/d boringen te Vurten en Langeneiken.

Bomen worden gerooid voor een controleboring te Vurten in 1902.

Op 3 september 1908 om 11u werd eveneens te Langeneiken een warmwaterbron aangeboord in een krijtlaag op een diepte van ongeveer 360 m. Het opspuitende

water in de buizen had een temperatuur van ongeveer 15° C. Jarenlang gebruikten de mensen uit de omgeving het warme water om ermee te wassen en te bleken. Het 'pompje' bleef tot omstreeks 1950 bestaan.

Het fonteintje te Langeneiken.

Overblijfsel (buis) van het fonteintje te Langeneiken was nog

zichtbaar in de jaren '80.

De directies van de boormaatschappijen konden na een negental boringen vaststellen dat de carboonlaag van 622 diepte af begon. Tussen 727 m en 789 m lagen ongeveer 20 uithaalbare steenkoollagen en er was een reserve voorradig tot op 1200 m. Nu zou er een steenkoolmijn moeten komen. Reeds in 1903 kregen drie maatschappijen: 'Société Campinoise de recherches et d’exploitation de houille', 'S.A. des Charbonnage des propriétaires de Coursel-Heusden' en 'S.A. des Recherches minière dans la Campinoise Limbourgeoise' een concessie van 4950 ha toegewezen onder de gemeenten Koersel, Beringen, Heusden, Lummen, Oostham, Paal, Beverlo, Heppen en Tessenderlo. Later in 1907 zouden de drie verenigingen samensmelten tot de 'S.A. Charbonnage de Beeringen'. De maatschappij gaf aanvankelijk de voorkeur aan Langeneiken om er de mijnzetel op te richten. Heel snel werd in de nabijheid van Langeneiken, in de voormalige sigarenfabriek Wouters naast de Gendarmerie van Beringen, een eerste kantoor ingericht.

Het voormalige sigarenfabriek Wouters dat dienst deed als

kantoor van de mijn.

De mijndirectie zou in 1909 beginnen met het aankopen van gronden te Langeneiken. Doch was er een probleem. De grondeigenaars vroegen te veel, vaak meer dan 6000 fr (150 euro) per ha en dat was veel te duur. Vervolgens werden er in 1909 proefboringen uitgevoerd op de Kleine Heide. Dan viel de definitieve beslissing. De koolmijn kwam niet op Langeneiken maar wel op de Kleine Heide, een verlaten gehucht eveneens in de gemeente Koersel. De gronden waren er goedkoper, de bovenlaag veel vaster en de kolenlagen veel rijker. Met de voorbereidingswerken werd in 1909 begonnen.

Links: De boortoren op de Kleine Heide.

Rechts: De boortoren, het binnenzicht.

Al snel werden een schoorsteen van 60m hoogte (1909), een koeltoren (1910), een ketelhuis (1910) en de eerste burelen gebouwd. In 1910 begon men met het uitdiepen van de schacht. Al snel kreeg men grote moeilijkheden met Herviaans drijfzand, poreuze rotsen en met water. De grond rondom de schacht moest bevroren worden. Na de bevriezing was er toch nog een doorbraak van grondwater zodat de schacht in 1913 alsnog onder water liep en de werken aanzienlijk vertraagden. Het was erg moeilijk voor de arbeiders om in de bijtende kou van bijna -15°C te werken. Met drie jassen en drie paar sokken aan bevroren ze haast nog. Ze verdienden een dagloon van amper 4,5 fr (11,25 eurocent) en de arbeidsduur bedroeg 12u per dag.

Links: Bouw van de koeltoren op 26 maart 1910.

Rechts: Bouw van het ketelhuis op 29 februari 1910.

Vanaf 1916 af kwam de koolmijn onder toezicht van de Duitse bezetter. Tijdens de oorlog, in 1917, roofden de Duitsers de grote stroomturbine van 2000 Kw en viel

alle bedrijvigheden stil. Men mocht van de bezetter enkel nog onderhoudswerkzaam-heden uitvoeren. Na de eerste wereldoorlog werden de werken snel hernomen zodat in oktober 1919 de eerste kolenlaag, op een diepte van 623 m, bereikt werd. Toch duurde het nog tot 1922 voor de schacht echt gebruiksklaar was. Ze had nu een diepte van ongeveer 800 m en een diameter van bijna 6 m. Het ontginnen kon nu beginnen. In 1922 bouwden men vervolgens het hoofdkantoor en de badzalen. In 1924 werden de schoorsteen van 80 m hoogte en een koeltoren gebouwd, in 1925 nog een koel-toren, in 1926 begon men met het aanleggen van een steenberg en een tweede schacht, in 1929 een watertoren, in 1930 een kolenstation, een kolenhaven in 1937, in 1940 een tweede steenberg en in 1942 een tweede koeltoren. Koersel weliswaar bleef eeuwenlang een verlaten dorp, haast zonder toegangswegen en met een uitgesproken landbouwkarakter. Weldra zou daar verandering in komen.

Boven: De stroomturbine die in 1917 door de militaire overheid werd in

beslag genomen. Onder: Op 27 maart 1918 schreef Woltersdorf dat er

alleen nog onderhoudswerken mochten worden uitgevoerd.

De koolmijn in Koersel telde in 1920 nog maar 500 arbeiders. De directie wist toen

al dat ze toekomstgericht naar gastarbeiders op zoek zou moeten gaan. Reeds in 1928 trok Frenay naar Polen om er mijnwerkers te rekruteren. In 1930 waren er reeds 4000 arbeiders werkzaam in onze mijn. Tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 werden er eerst Russische burgers, in 1942 Russische krijgsgevangenen en later Duitse krijgs-gevangenen in de mijn tewerkgesteld. Het aantal arbeiders steeg in 1950 tot ruim 5000. Zestien autobusdiensten zorgden voor het ophalen van de mijnwerkers uit wel 50 gemeenten. Het werk in de kolenmijnen was aanvankelijk onmenselijk, zwaar en levensgevaarlijk. In 1928 werkte men 48 uren per week. Ongevallen en ziektes zoals stoflong waren schering en inslag. De eerste vijf productiejaren van onze kolenmijn hadden reeds aan 169 mensen het leven gekost. Op 21 juni 1941 gebeurde er een mijngasontploffing. Er waren 49 gewonde mijnwerkers waarvan er later 6 bezweken. 

In de loop van de jaren 70 werden de arbeidsomstandigheden voor de mijnwerkers aanzienlijk beter door de komst van de kolenschaaf.

De koolmijn in de jaren 40.

Mijnwerkers aan het werk.

Niet alleen mensen, ook paarden en zelfs muilezels deden werk in de mijn. Omstreeks 1926 waren er nog 8 paarden en muilezels werkzaam in de Beringse ondergrond om de kolenwagentjes te trekken. Om de dieren rustig te houden werden ze geblinddoekt. De paarden en muilezels verbleven normaal vijf jaar in de mijn, daarna werden ze

terug naar boven gehaald en mochten ze voor de rest van hun leven verblijven op de boerderij van de mijn. De paarden en muilezels die de mijn verlieten waren meestal blind door hun lange verblijf in de donkere ondergrond.

In 1911 ontvingen de mijnwerkers voor één dag zwaar werk 8,50 fr. (21,25 eurocent), in 1920 meer dan 27 fr. (67,5 eurocent), in 1930 bijna 65 fr. (1,62 euro), in 1940 bijna 70 fr. (1,75 euro) in 1950 bijna 250 fr. (6,25 euro) en later stegen de lonen alsmaar meer. Ook had elke mijnwerker vanaf 1925 recht op 400 kg steenkool per maand in

de winter en op 300 kg tijdens de zomermaanden. De meeste Limburgse steenkolen gingen naar de staalindustrie en naar de elektriciteitscentrales. Pas in 1935 begonnen de Kempische mijnen elk jaar winst te boeken.

Paarden aan het werk in de ondergrond.

 

De oorlogsjaren waren echter nefast. Reeds in 1941 moest de overheid overgaan tot subsidiëring van de mijnen. In 1948 draaiden ze weer op volle toeren met winst.

Later begon stilaan de crisis in de mijnen binnen te sluipen. Omstreeks 1950 zou de aardolie op de markt verschijnen en de afzet van steenkool kreeg een flinke deuk.

Grote voorraden steenkolen begonnen zich rond de mijnen op te stapelen. Tijdelijke werkloosheid trad vanaf 1958 in. De toestand zou nog verergeren in de jaren zestig. Een nieuwe brandstof, het aardgas, kwam na 1966 de steenkool nog meer verdringen. Een groot aantal werkvrije dagen moesten nu tijdelijk ingeschakeld worden. Veel mijnwerkers begonnen de mijn te verlaten om elders te gaan werken. De koolmijnen kregen het alsmaar moeilijker. De staat moest nu jaarlijks met subsidies overkomen:

in 1974 met bijna 3 miljard Bfr, in 1978 met meer dan 7,5 miljard Bfr en later met nog meer geld. In de jaren 80 kwam het voortbestaan van de Kempische mijnen meer en meer in het gedrang. Op 28 oktober 1989 werd de koolmijn van Beringen definitief gesloten. De totaalproductie bedroeg 79.332.200 ton. Heden bevindt zich op het voormalig mijnterrein 'Het Vlaams Mijnmuseum' dat een bezoek meer dan waard is. Meer info: http://mijnmuseum.be/ 

De mijn in de jaren '60.

Lens Marcel/Put Philip

Copyright © 2017

Koersel door de jaren,

Heemkundige vereniging Koersel.

Alle rechten voorbehouden.  

  • Facebook
  • Instagram
  • YouTube
  • Pinterest